dieren

De kudde – Fjadragljúfur, IJsland

Een kudde schapen langs een klif van de Fjadragljúfur kloof, gelegen in het zuidwesten van IJsland. Buiten een grote variëteit aan vis en gevogelte heeft IJsland niet bijster veel te bieden wat fauna betreft, maar schapen komt men daarentegen wel overal tegen. De dieren zijn (naast de vulkaanuitbarstingen) grotendeels verantwoordelijk voor het ontbreken van bossen; bomen worden als scheuten namelijk al opgegeten door de schapen. Om de oorspronkelijke flora terug te laten komen en bodemerosie tegen te gaan heeft de IJslandse overheid inmiddels grote lappen grond ontoegankelijk gemaakt voor de schapen en beplant met inheemse bomen. Zo moeten de bossen beetje bij beetje weer terugkeren.

De schapen lopen in de zomermaanden los door de IJslandse heuvels en bergen, maar ze blijven ondanks dat wel altijd op de grond van de landeigenaar. In de maand september worden de kuddes op feestelijke wijze terug naar de boerderijen gedreven en daar gesorteerd. De data en lokaties voor deze festiviteiten worden van tevoren bekend gemaakt en jong en oud trekt er die dagen op uit om de boeren te helpen.

Papegaaiduiker (2)

Een van de vele papegaaiduikers op de vogelrots Látrabjarg in de Westfjorden, het meest westelijke puntje van IJsland, en daarmee ook van Europa.

Tureluur

Een tureluur (Tringa totanus) in een karakteristieke pose: op een paal protesterend tegen de aanwezigheid van mensen (of dieren) in de nabijheid van het broedgebied; in dit geval het eiland Flatey in het Noordwesten van IJsland.

De tureluur (behorend tot de familie van strandlopers en snippen) is duidelijk herkenbaar aan de felrode poten en broedt in grote delen van Europa en Midden Azië en overwinterd in zuidelijke gebieden. De vogel is op zichzelf dus geen bijzondere verschijning, maar valt in de ongerepte IJslandse natuur toch op door het vaak opstandige gedrag en de aantallen waarin de vogel voor komt.

IJslander

Een IJslands paard in een kudde in Landmannalaugar. De IJslander wordt al ruim 1000 jaar raszuiver gefokt. Van oudsher heeft IJsland nooit een invoerverbod voor paarden gekend, maar ondanks dat is het IJslandse ras nooit gemengd met andere paarden soorten. Om dit ook in deze tijd nog in stand te kunnen houden is er inmiddels wel een invoerverbod voor paarden, welke ook gelden voor inheemse paarden die in het buitenland hebben verbleven. Zo mogen paarden die bijvoorbeeld naar een schoonheidswedstrijd in het buitenland zijn geweest niet meer terugkeren naar IJsland.

De IJslander is een rechtstreekse afstammeling van het Europese oerpaard Equus stenonsis, welke zich via Scandinavië en Groot Brittannië hebben verspreid en door de Vikingen mee naar IJsland zijn genomen. De paarden van de Vikingen hadden verschillende verwantschappen, waardoor de IJslander gelijkenissen vertoond met Noorse paarden, het zeldzame Nordland-paard en de Shetlanders en Exmoors (waarmee ze de Keltische pony delen als voorouder).

De IJslander staat bekend om zijn eigenwijze, leergierige en bijzonder vriendelijke karakter. Goed opgevoede IJslanders zijn bijzonder gevoelig, waardoor het berijden van deze paarden wel enige aanvullende oefening vergt. De meest bijzondere eigenschap van de IJslander is de mogelijkheid om in een vierde en soms ook vijfde gang voort te bewegen: de tölt en telgang. Het betreft hier een natuurlijke eigenschap, die door pasgeboren veulens al vertoond wordt.

Papegaaiduiker (1)

Een papegaaiduiker (Fratercula arctica) op de rotsen van de vogelklif Látrabjarg in de Westfjorden (het meest westelijk gelegen punt van IJsland en daarmee ook van Europa). De papegaaiduiker (Atlantic Puffin in het Engels) behoort tot de familie van Alken. De dieren leven het grootste deel van het jaar op zee en komen enkel aan land om te broeden. Ze nestelen zich in meters diepe tunnels in de bovenste grondlaag van (bij voorkeur hoge) kliffen en rotswanden.

Alleen gedurende het broedseizoen hebben de papegaaiduikers de kleurrijke snavel en tekeningen die de vogels tot zo’n geliefde vogelsoort en een ware toeristische attractie maken. Na het broedseizoen verliezen ze het gekleurde deel van de snavel en hebben ze weer hun oorspronkelijke donkere en kleinere snavel.