De mijnwerkers van Kawah Ijen

Indonesië staat bekend om z’n vele actieve en goed benaderbare vulkanen, waaronder de Krakatau en de Bromo.  Maar er is één vulkaan waar zich al decennia lang een schrijnend tafereel afspeelt. Eentje waar de slachtoffers inmiddels de hoofdrolspelers in een bizarre toeristische attractie zijn geworden: de zwavelvulkaan Kawah Ijen op Java. Dagelijks dalen de mijnwerkers meerdere malen af in de krater om zwavel los te bikken en in ladingen van 80-90 kilogram weer de krater uit te tillen. Zonder enige vorm van bescherming tegen de verstikkende zwaveldampen, terwijl de toeristen met gasmaskers op kortstondig toekijken hoe men in mensonterende omstandigheden te werk gaat. 

Wie zich inleest in de bezienswaardigheden van Oost-Java komt al snel de beschrijvingen en onwaarschijnlijke foto’s van de Kawah Ijen en de mijnwerkers tegen. De actieve vulkaan met z’n kilometer brede turquoise meer vol zwavelzuur kwam op mij dermate interessant en fotogeniek over dat het één van de eerste bestemmingen was die ik in de rondreis had opgenomen. Even leek de vulkaan ‘roet’ in het eten te gooien: een week voor ons bezoek waren er enkele explosies geweest en was de toegang tot de vulkaan wegens hogere vulkanische activiteit zelfs voor de mijnwerkers gesloten – hetgeen vrij uitzonderlijk schijnt te zijn – om enkele dagen later alweer open te gaan. Zo gaat dat daar.

Het is drie uur ’s nachts als de wekker ons voor de tweede dag op rij in het holst van de nacht uit onze slaap haalt. Niet veel later sjouwen we onze backpacks richting de lobby waar onze chauffeur al op ons wacht. Twee uur lang rijden we over een – op z’n zachtst gezegd – matig onderhouden 4×4 track dwars door de hooglanden van Oost-Java. De jeep stuitert in het rond en we gaan regelmatig niet harder dan vijf kilometer per uur. Tijdens het ontbijt genieten we van een mooie zonsopkomst boven een keten van vulkanen, waaronder onze bestemming: de Kawah Ijen.

201510169707

We vervolgen onze route over de brakke weg en worden niet veel later geconfronteerd met een defect gaspedaal. Onze chauffeur weet het mankement te verhelpen door ogenschijnlijk op de gok wat ijzerdraadjes aan elkaar te knopen waarna we, enigszins zenuwachtig, de laatste kilometers naar de Kawah Ijen afleggen. Je zou denken dat zo’n route het aantal toeristen aanzienlijk beperkt, maar niets blijkt minder waar: op het parkeerterrein treffen we meteen diverse trucks en enkele groepen. Ook zien we de eerste wandelaars alweer terugkeren van de zogenaamde ‘blue fire’ tour: een nachtelijke afdaling naar de zwavelmijn waar dan blauwe vlammen te zien zijn.

De wandeling naar de rand van de krater duurt ongeveer een uur. De omstandigheden maken het pittig: het is er  enorm stoffig en de harde windvlagen blazen het fijne zand en as met regelmaat in je ogen. Halverwege de route ligt een klein huisje met de functie van rustplek voor de mijnwerkers. Een van de zwavelwerkers die het geluk heeft om tot ver boven zijn zestigste nog in leven te zijn laat zich uitgebreid fotograferen door de aanwezige toeristen terwijl hij breed lachend zijn levensverhaal uit de doeken doet.

Portret mijnwerker Kawah Ijen

Een paar honderd meter na het rustpunt worden we vergezeld door een mijnwerker van eind 20 die, net als wij, net iets harder loopt dan de gemiddelde toerist. Op enigszins laconieke toon beantwoord hij al onze vragen over het werk in en rond de Kawah Ijen. De man werkt inmiddels al een jaar of tien in de mijn en loopt twee keer per dag de krater uit met 80 tot 90 kilogram zwavel. Vanaf de kraterrand moet de zwavel vervolgens nog met kruiwagens naar het drie kilometer verderop gelegen dal worden gebracht.

Op de vraag of al die zwaveldamp geen enorme aanslag op zijn longen is antwoord hij: “No, no! Not bad at all!”, terwijl hij een extra diepe teug van zijn sigaret neemt. Tja. Saillant detail: de opdruk op z’n shirt laat zich vrij vertalen naar “samen gezond”.

Mijnwerker Kawah Ijen

Gaandeweg de klim wordt het droger en neemt de begroeiing af. De wind heeft hier vrij spel en jaagt het fijne zand in het rond. Je voelt het knarsen tussen je tanden. Een paar honderd meter voor de kraterrand krijgen we de kans om – tegen betaling – manden met 60 kilogram aan zwavel te tillen. Het is haast ondoenlijk om met die 60 kilo rustend op je sleutelbeen te poseren voor een foto, laat staan dit met nog 25 kilogram meer enkele honderden meters omhoog te moeten sjouwen.

Eenmaal aan de top haalt de jongen voor ons twee gasmaskers uit z’n rugtas tevoorschijn. Onze chauffeur had ons dringend geadviseerd om vooral niet de krater in te gaan en ook de groepsleider van de Nederlandse groep verbiedt zijn groep om de afdaling te maken. Al die waarschuwingen ten spijt besluiten we ons toch te voegen bij het handjevol toeristen dat zich wél aan de afdaling waagt. Tenslotte zijn de mijnwerkers in staat om dag in dag uit in de Kawah Ijen af te dalen zónder bescherming. Terwijl we over het steile rotspad naar het 300 meter lager gelegen zwavelmeer wandelen voelen we onze keel en luchtwegen langzaam verdrogen. Wanneer de wind een dik pak zwaveldamp onze kant op duwt verdwijnt de zuurstof voelbaar uit de lucht en beginnen de luchtwegen en ogen enigszins te branden. Een meter of tien, twintig onder ons sjokt een mijnwerker ons met een volle mand tegemoet. Hij laat zijn bagage regelmatig even rusten op de rotsen om opnieuw op kracht te komen. Terwijl ik enkele foto’s maak pakt hij een kleurrijk stukje zwavel om het ogenschijnlijk demonstratief en enigszins theatraal in de lucht te houden. Het levert een foto op die het aangrijpende verhaal van de mijnwerkers samenvat.

Zwavelmijn Kawah Ijen

Of toch niet? Want na de foto’s geschoten te hebben wil de man geld zien: minstens 10.000 rupiah. Het is nog geen euro maar aangezien het gemiddelde dagloon van de mijnwerkers in de Kawah Ijen zo’n 100.000 rupiah bedraagt toch een relatief forse fooi. Sterker nog: sommige mijnwerkers halen meer geld op aan fooien dan wat ze verdienen met het werk in de zwavelmijn (dat al beter betaalt dan werk op het platteland). Na wat verdere verdieping in de materie blijkt dat veel van de mijnwerkers zelfs bewust voor het schadelijke werk in de zwavelmijn kiezen omdat het beter betaalt dan de alternatieven. De toeristenfooien blijken plots een extra stimulans voor het werk in de mijn. Ondanks dat ik zelf in het algemeen geen voorstander ben van dergelijke fooien, besluit ik hem toch een muntje van 1.000 rupiah te geven. Na wat gemor vervolgt de man steunend en kreunend zijn weg naar boven. Meteen bekruipt me een gevoel van schuld en onbehagen. Bewuste keus of niet: het is ronduit verdrietig om te zien in welke omstandigheden men hier werkt voor ‘onze’ grondstoffen.

Manden met zwavel in de Kawah Ijen

Als gevolg van brandende luchtwegen en ogen keren de meeste toeristen halverwege de afdaling om. Ik ben vastberaden om het daadwerkelijke werk bij de zwavelafzetting te fotograferen en wandel verder. De steeds weer langs waaiende wolken van zwaveldamp worden dikker en dikker. Beneden me zie ik de stalen pijpen waarmee de zwavel in gestolde vorm naar de rand van het meer geleid wordt. De schoonheid van de vele geeltinten van de zwavelafzettingen met op de achtergrond het turquoise kratermeer staan in schril contrast met de mensonterende arbeid van de mijnwerkers ter plaatse.

Kawah Ijen

Eenmaal beneden is de zwaveldamp zelfs zo extreem dat er momenten zijn dat ik seconden lang van alles behalve zuurstof door mijn gasmasker trek. Aan de oever van het kratermeer wissel ik snel van objectief om onderstaande foto te kunnen maken. De ondergrond blijkt er zo zuur dat in de paar secondes dat mijn rugtas op een paar – niet volledig met zwavel bedekte – stenen rust, de zwavel al in de stof weet te bijten.

Kratermeer Kawah Ijen

Even verderop zie ik een mijnwerker stukken zwavel losbikken en in zijn manden verzamelen. Zijn bescherming: niet meer dan het lapje stof om zijn nek. In een vlaag van verstandsverbijstering probeer ik zelf ook even adem te halen zonder mijn gasmasker. Direct voel ik het zuur branden achter m’n tong, in m’n keel en tot diep in m’n longen. Hoesten heeft geen zin en maakt het alleen maar pijnlijker. Weer volgt een dikke wolk van zwaveldamp. De mijnwerker voor me houdt even z’n adem in en snuit daarna de rotzooi uit z’n neus en mond, om vervolgens verder te werken alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Zwavelwerker, Kawah Ijen

Terwijl hij zijn manden vol laadt en zich gereed maakt om ze weg te dragen geeft hij me de kans om enkele portretten te maken in ruil voor 2.000 rupiah. Ondertussen biedt een andere mijnwerker me een stuk diep oranje zwavel aan voor 10.000 rupiah, terwijl er overal soortgelijke stukken zwavel voor het oprapen liggen. Wanneer ik vriendelijk bedank krijg ik het stuk alsnog gratis in m’n handen gedrukt.

Mijnwerker Kawah Ijen

Zwavelwerker Kawah Ijen

Ik maak nog wat portretten en foto’s van de bizarre levenloze omgeving, maar de tijd vliegt voorbij en inmiddels beginnen mijn longen en ogen ook dermate zwaar geïrriteerd te raken dat ik besluit om te keren en me aan de beklimming te wagen. De combinatie van het stijgen, een zuurstofmasker en de ietwat ijle lucht maken dat ik al snel buiten adem ben. Op de stukken waar het kan hou ik m’n zuurstofmasker even af, maar de beklimming gaat hoe dan ook beduidend langzamer dan de afdaling. Het is niet te bevatten dat de mijnwerkers dit tweemaal per dag doen met een lading van ruim 80 kilogram. De reis door Indonesië is nog niet halverwege, maar ik weet al zeker dat de Kawah Ijen na afloop het hoogtepunt zal blijken te zijn, al zorgt de wetenschap dat ik als toerist heb bijgedragen aan het in stand houden van dit tafereel wel voor een nare bijsmaak.

Boven moet er nog even worden afgerekend voor de zuurstofmaskers: totaal 100.000 rupiah; gelijk aan een dagloon voor het werken in de mijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *